OSI Model

Het Open Systems Interconnection Model (kortweg OSI-model) werd door de International Organization for Standardization (ISO) ontworpen als referentiemodel voor een open communicatie tussen verschillende technische systemen. Eind jaren 70 stuitten de toonaangevende fabrikanten in de netwerktechnologie op het probleem dat door propriëtaire netwerkarchitecturen alleen apparaten van dezelfde fabrikanten met elkaar konden communiceren omdat ze elk communiceerde via een eigen protocol. Vrijwel geen fabrikant kwam op het idee hardware- of softwarecomponenten te ontwikkelen op basis van de specificaties van andere fabrikanten.

Het OSI-model is het resultaat van een poging tot standaardiseren en biedt als conceptueel kader een designbasis voor communicatiestandaards die niet afhankelijk zijn van fabrikanten. Daarvoor verdeelt het door ISO ontworpen OSI-model het complexe proces van de netwerkcommunicatie in zeven niveaus, de zogenaamde lagen (in het Engels layers). Daarom spreekt men ook wel van de OSI-lagen. Binnen de communicatie tussen twee systemen moeten in elke afzonderlijke laag specifieke taken worden uitgevoerd. Hiertoe behoren bijvoorbeeld de communicatieregeling, de adressering van het doelsysteem of het omzetten van datapakketten in fysieke signalen. Dat lukt echter alleen als alle systemen die bij de communicatie betrokken zijn, zich aan bepaalde regels houden. Deze regels zijn vastgelegd in zogenaamde protocollen die aansluiten op afzonderlijke lagen of die overkoepelend worden toegepast.

Het OSI-referentiemodel zelf is echter geen concrete netwerkstandaard. Het model beschrijft eerder in abstracte vorm welke operaties moeten worden geregeld, opdat de communicatie via een netwerk functioneert. Vandaar is het nuttig om hieronder over het OSI-model nadere uitleg te bieden.

Laag 1 - Fysieke laag (Physical layer)

In de eerste laag van het OSI model vinden de fysieke verbinden plaats. Dit zijn de fysieke kabels, netwerkpoorten , … Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van binaire transmissie, elektrische, elektromagnetische of optische specificaties van het signaal en fysieke specificaties van het medium. Veel gebruikte zaken en toepassingen in deze laag zijn de ruwe bits (spanning die door de netwerkkabels gaat), RS232, RJ45, DSL, COAX, Fiber, PPP, … In deze laag kan je ook netwerkapparatuur zoals hubs tegenkomen omdat deze geen logica ingebouwd hebben.

Laag 2 - Datalinklaag (Data link layer) [Frames]

Uiteraard is er meer nodig al enkel een fysieke laag. Deze laag zorgt voor transport van de data over een verbinding (link). Om via een vlotte manier data tussen 2 toestellen te kunnen versturen wordt de data van alle bovenliggende lagen ingepakt in een zogenaamd frame. Dit frame is in een bepaalde structuur van bytes ingedeeld. Hierin zitten onder andere het MAC-adres van de verzender en de ontvanger. Zo weten netwerktoestellen zoals switches (ook wel link layer devices genoemd) van en naar waar een bepaald frame moet worden verstuurd. Dit frame wordt ook wel eens een ethernet frame genoemd. In complexere netwerken wordt ook wel eens gebruik gemaakt van VLAN’s, ook deze VLAN’s situeren zich in deze laag van het OSI model. Belangrijk om te weten is dat er in deze laag van nog geen sprake is van IP-adressen. Deze komen pas in laag 3 aan bod.

Laag 3 - Netwerklaag (Network layer) [Packets]

De netwerklaag is in het model verantwoordelijk voor het overbruggen van de afstand tussen deze omliggende lagen. De netwerklaag is verantwoordelijk voor het routeren van de pakketten naar verschillende (andere) netwerken. Hier vindt de logische adressering en/of de route-informatie plaats. De netwerklaag werkt niet met frames maar wel met pakketten. Wanneer de netwerklaag een datastroom in pakketten verdeelt, moet de netwerklaag beslissen hoe die pakketten over het netwerk verstuurd moeten worden. In deze laag van het OSI model wordt gebruikt gemaakt van IP-adressen. Daarnaast zal men zien dat zaken zoals IPsec, ICMP, OSPF, IGMP, ARP, … ook plaatsvinden op deze laag. De toestellen die het vaakst met deze laag zullen werken zijn routers. Alhoewel er ook layer 3 switches bestaan, echter kom je deze niet zo vaak tegen (enkel in grote netwerken).

Laag 4 - Transport laag (Transport layer) [Segments]

De transportlaag zorgt voor het transport van data voor de applicaties. Deze laag zal er voor zorgen dat de data “error-free” zal worden afgeleverd zonder packet verlies of duplicaten. De meest gebruikte protocollen uit deze laag zijn het Transmission Control Protocol (TCP) en het User Datagram Protocol (UDP), data-eenheden uit deze laag worden meestal segmenten (of datagrammen in het geval van UDP) genoemd. Naast TCP en UDP zijn er nog een heel aantal andere datacommunicatieprotocollen die zich binnen deze laag kunnen bevinden. Echter worden deze minder vaak gebruikt.

Laag 5 - Sessielaag (Session layer )

De sessielaag regelt de totstandkoming, onderhoudt en beëindigt een sessie tussen twee communicerende hosts. Deze laag synchroniseert ook het dialoog dat plaatsvindt op de presentatielaag tussen twee hosts, en onderhoudt de data-uitwisseling. Het kan zijn dat er meerdere hosts trachten te communiceren met eenzelfde host (bijvoorbeeld een server). Hierdoor kan het zijn dat er meerdere communicatiekanalen tegelijkertijd open staan. De sessielaag houdt bij welke communicatie met welke host wordt gevoerd, en zorgt ervoor dat dit op een efficiënte wijze gebeurd. Enkele voorbeelden zijn TCP, SIP, RTP, …

Laag 6 - Presentatielaag (Presentation layer)

De presentatielaag vertaalt en formatteert de data en levert deze aan de toepassingslaag voor verdere behandeling of weergave. Op deze wijze wordt de applicatie ontlast van de bemoeienis met de syntactische verschillen in datacodering. Deze laag wordt ook wel eens de syntaxlaag genoemd en kan worden aanzien al seen soort van vertaler tussen het netwerk. Hier worden voornamelijk versleuteling en ontcijfering, compressie en de-compressie, data-conversie, enz… uitgevoerd. Enkele voorbeelden zijn JPEG, ASCII, TIFF, HTML, AVI, …

Laag 7 - Toepassingslaag (Application layer)

De toepassingslaag biedt de ontvangen informatie aan aan de gebruikersapplicatie. Deze dient als venster voor de gebruikers en de applicatieprocessen om toegang te krijgen tot de netwerkdiensten. De protocols welke actief zijn op deze netwerklaag zijn zeer uitgebreid en divers. enkele voorbeelden zijn: SMTP, DNS, HTTP(S), TELNET, FTP, SIP, NTP, DHCP, SSH, …

Encapsulation / Decapsulation

Wordt aangevuld.

Tell us about your thoughtsWrite message

Back to Top
Close Zoom
Context Menu is disabled :).